Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie

[main-choices]

Klimaatverandering, energietransitie en de nationale en internationale klimaatdoelen hebben grote invloed op de fysieke leefomgeving en vragen om afwegingen en vergaande keuzes in de inrichting van onze fysieke leefomgeving (zowel boven- als ondergronds). De transities moeten zorgvuldig worden ingepast, terwijl er ook grote druk is vanuit andere opgaven en belangen.

Beleidskeuze 1.1

Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. We behouden en reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen.

Een klimaatbestendig Nederland is ingericht op de gevolgen van klimaatverandering en stijging van de zeespiegel. Hoewel het tempo met onzekerheid omgeven is, zetten klimaatverandering en zeespiegelstijging ook na 2050 door. De gevolgen hiervan zijn een grotere kans op overstromingen, wateroverlast, hittestress en droogte. Het Deltaprogramma en het Kennisprogramma Zeespiegelstijging leggen zich toe op oplossingen hiervoor. Voor droogte heeft de Beleidstafel Droogte eind 2019 aanbevelingen gedaan om Nederland weerbaar te maken tegen droogte. Alle 46 aanbevelingen zijn inmiddels met termijnen belegd bij individuele partijen en vastgelegd in reguliere (interbestuurlijke) projecten en programma’s, zoals het Deltaprogramma, Integraal Riviermanagement en de omgevingsvisies van provincies en gemeenten. 

Klimaatadaptatie vraagt om belangrijke keuzes en robuuste inrichting van zowel het stedelijk als het landelijk gebied, zowel in hoog- als in laag-Nederland, met oog voor de kwaliteit van de leefomgeving. We maken gebruik van natuurlijke systemen om groene en blauwe structuren te versterken. Hierbij is speciale aandacht nodig voor de vitale onderdelen van onze infrastructuren (zoals energie, telecom, IT-voorzieningen, nationale veiligheid, hoofdinfrastructuur, water en zorgvoorzieningen). Klimaatverandering bedreigt ook de volksgezondheid. Dat onderstreept de noodzaak om mitigatie- en adaptatiemaatregelen te nemen. Deze richten zich op zowel het fysieke als het sociale domein. Hierbij wordt rekening gehouden met ongewenste neveneffecten voor de volksgezondheid.

Om de strategie voor waterveiligheid op lange termijn flexibel en adaptief te kunnen vormgeven, maken we onderstaande keuzes.

Ontwikkelen en beschermen kustzone

Het kabinet draagt bij aan een samenhangende ontwikkeling, bescherming en beheer van de Nederlandse kustzone waarbij de nationale belangen zijn gewaarborgd, nu en in de toekomst. Het Kustpact[1] is hier een uitwerking van. Het doel van het Kustpact is het vastleggen en uitvoeren van afspraken tussen partijen voor het vinden van een goede balans tussen bescherming en behoud van de kernkwaliteiten en collectieve waarden van de kustzone enerzijds en de ontwikkeling van de kustzone anderzijds. Tot de kernkwaliteiten en collectieve waarden horen: vrij zicht en grootschaligheid, natuurlijke dynamiek van het kustsysteem, robuuste waterstaat, contrast tussen compacte bebouwingskernen en uitgestrekte onbebouwde gebieden, contrasten met het achterland, kusterfgoed in het duingebied en het achterland, vitaliteit van de kustplaatsen en het achterland, gebruikskwaliteiten en de culturele en mentale betekenis van de kust. Alle partners van het Kustpact onderschrijven deze kernkwaliteiten en collectieve waarden.

Waterveiligheid in de kustzone.
Waterveiligheid in de kustzone
Dubbel ruimtegebruik: In de multifunctionele waterkering in Katwijk is een parkeergarage onder de boulevard gerealiseerd.

De waterkeringen langs de kust worden op sterkte gehouden volgens het principe ‘zacht waar het kan, hard waar het moet’. Het kustfundament is het zandbed tussen de binnenduinrand en de doorgaande dieptelijn op NAP-20 meter in de Noordzee. Dit zandbed is onderdeel van de kustzone, die bestaat uit duinen, dijken en kustplaatsen met een grote diversiteit aan functies. De kust is mede door de aanpak van de zogenaamde zwakke schakels nu veilig. De kustlijn is echter onderhevig aan structurele erosie door zeespiegelstijging. Zonder interventie zou Nederland over de gehele kustlijn gemiddeld 1 meter per jaar krimpen. Areaalbehoud door zandsuppleties is daarom het hoofdthema. De doelen voor de veiligheid op lange termijn en goede ruimtelijke ontwikkeling worden daarmee gecombineerd.

Het kabinet draagt zorg voor voldoende zandwinningslocaties op de Noordzee. Deze zijn nodig om in de zandbehoefte te voorzien voor het handhaven van het kustfundament van de Noordzee. Dit gebeurt in goede afstemming met andere functies op zee en aan de kust. Onderzocht wordt wanneer andere strategieën voor kustversterking (zoals benutten van natuurlijke processen) aan de orde komen.

Grote waterstaatkundige ingrepen in de vorige eeuw maakten Nederland veilig en welvarend, maar hebben ook de natuurlijke stroming van water en sediment in het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta en de Waddenzee veranderd en er zijn kenmerkende leefgebieden verdwenen. De gebieden worden gekenmerkt door multifunctioneel ruimtegebruik en zijn van grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Tegelijkertijd leiden nieuwe ontwikkelingen op het gebied van onder andere klimaatverandering, energietransitie, economische ontwikkeling en recreatie tot nieuwe opgaven en kansen.

Het kabinet werkt samen met de regionale overheden en maatschappelijke organisaties aan toekomstbestendige grote wateren waarin hoogwaardige natuur samengaat met een krachtige economie. Met diverse maatregelen willen we ontbrekende leefgebieden aanleggen, het estuarien karakter van de Delta versterken, natuurlijke dynamiek terugbrengen, en zorgen voor geleidelijkere overgangen tussen land en water en zoet en zout en/of betere verbindingen tussen zee, estuaria en rivieren. Het doel is om te komen tot stabiel en samenhangend ecologisch netwerk van grote wateren. We maken de Natura 2000-gebieden en de overige natuurgebieden in de grote wateren, in samenhang met de inrichting van het watersysteem, robuust. Zo is voor het IJsselmeergebied en worden voor de Zuidwestelijke Delta en het Waddengebied Gebiedsagenda's opgesteld. 

Rivierengebied

In het rivierengebied ligt een grote en urgente waterveiligheidsopgave die voortkomt uit de nieuwe normen voor waterveiligheid en door klimaatverandering toenemende rivierafvoeren. Deze opgave kan worden opgepakt door een combinatie van dijkversterking en rivierverruiming. De overheid betrekt daar eveneens belangen bij van laagwater, waterkwaliteit, natuur, ecologie, scheepvaart en zoetwater en treft maatregelen die leiden tot een duurzaam functionerend rivierensysteem.

Waterveiligheid in het rivierengebied.
Ruimte voor de Rivier: Nieuwe natuur langs rivier de Lek bij Culemborg. (Mischa Keijser)

In het gebied Rijnmond-Drechtsteden komen belangrijke opgaven voort uit de gevolgen van klimaatverandering. De stormvloedkeringen, met name de Maeslandkering en de Hollandsche IJsselkering, spelen een cruciale rol.

Zoetwatervoorziening

Door klimaatverandering neemt de waterbeschikbaarheid af, waardoor meer zoetwatertekorten zullen ontstaan. We krijgen te maken met minder rivierafvoer en langere droge perioden alsmede zeespiegelstijging, waardoor de verzilting als gevolg van kwel en zoutintrusie toeneemt. Tevens verandert het landgebruik en neemt de watervraag op veel plaatsen toe, waardoor de kwetsbaarheid van watergebruikers (landbouw, drinkwater, scheepvaart, natuur, industrie, recreatie) nog groter wordt. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat bij alle keuzes in de leefomgeving het effect op de robuustheid van het water- en bodemsysteem wordt meegewogen. In actuele situaties van watertekort (zoals de zomer van 2018) bepaalt de wettelijke verdringingsreeks (zie tekstkader bij beleidskeuze 4.1) hoe het water wordt verdeeld.

Het kabinet heeft in het Nationaal Waterplan 2016-2021[2] richting gegeven om zoetwater duurzaam en efficiënt te beheren en gebruiken. Het Deltaplan Zoetwater[3] bevat maatregelen die nodig zijn voor een duurzame zoetwatervoorziening en zo Nederland weerbaar te maken tegen watertekorten. Voldoende zoetwater is een gedeelde verantwoordelijkheid en vereist samenhangende inspanningen in het hoofdwatersysteem, het regionale watersysteem én bij de gebruikers.

Stresstest

Ter voorkoming van extra risico op schade en slachtoffers bij extreem weer zullen ingrijpende ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving worden voorafgegaan door stresstesten. Zo zijn in de planvorming en met maatregelen in het kader van waterveiligheid risico’s van wateroverlast te verminderen, evenals mogelijke gevolgen van overstromingen, droogte en hitte.

Beleidskeuze 1.2

Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen kiezen wij ervoor het grootste gedeelte van de energieproductie te realiseren door middel van windparken op de Noordzee. Ook de ruimte op zee is schaars: naast de vraag om ruimte voor energie, is er ruimte nodig voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. De opgave is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. We werken dit uit in het Programma Noordzee 2022-2027.

De Noordzee behoort tot de meest intensief gebruikte zeeën ter wereld. Met name het intensieve scheepvaartverkeer van en naar de Rotterdamse haven en naar andere grote internationale havens rondom de Noordzee, de visserij, militaire oefengebieden en olie- en gaswinning bepalen op dit moment het beeld. In het voorbije decennium zijn daar de reserveringen van ecologisch beschermde gebieden en windenergiegebieden bijgekomen. De kaart ‘Nationale Hoofdstructuur Leefomgeving (zee)’ geeft een beeld van de ruimteclaims op de Noordzee. Naar huidige inzichten is windenergie de meest kosteneffectieve manier van duurzame energieopwekking om de doelstellingen uit het Klimaatakkoord van Parijs voor 2030 en 2050 te behalen. Het plaatsen van een groot aantal windmolens op de Noordzee is noodzakelijk, aangezien de mogelijkheden op land beperkt zijn.

Windmolens op de Noordzee.
Om het ruimtebeslag op land te beperken, wordt ingezet op de opwekking van windenergie op de Noordzee. In beeld het Prinses Amalia Windpark. (Mischa Keijser)

Bij het zoeken naar meer ruimte voor windmolens sluit de NOVI in de eerste plaats aan bij gebieden voor windenergie op zee zoals benoemd in het Nationaal Waterplan 2016-2021, de Rijksstructuurvisie windenergie op zee, Aanvulling gebied Hollandse Kust[4], de Routekaart Windenergie op Zee[5] en de Routekaart Windenergie op Zee 2030[6]. Daarnaast sluit de NOVI aan bij het Adviesrapport: Verkenning Noordzeestrategie 2030[7], waarin mede in relatie tot het ontwerp-Klimaatakkoord potentiële regio’s op zee voor nieuwe windenergiegebieden zijn geïdentificeerd, en ook bij de ruimtelijke uitwerking van kansrijke aanlandpunten aan de kust.

Ruimte schaars

Als gevolg van al deze ontwikkelingen is de ruimte op de Noordzee schaarser dan ooit. Ook is er groeiende zorg over de draagkracht van het ecosysteem in combinatie met de effecten op dit systeem als gevolg van klimaatverandering. Er ligt al een opdracht om de achteruitgang van het Noordzee-ecosysteem om te buigen naar een herstel. Daarnaast is de Noordzee als gevolg van haar ontstaansgeschiedenis en het rijke zeevaartverleden rijk aan archeologisch erfgoed dat bescherming geniet. Verdere uitbreiding van windenergie op zee (en ruimte voor kabeltracés van windmolenparken naar land) is daarom alleen mogelijk als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan op het gebied van ecologie, raakvlakken met andere belangen op de Noordzee (visserij, scheepvaart en doorvaart windparken, zandwinstrategie en militaire oefenterreinen), de inpassing op land van de verbindingen met het hoogspanningsnet en de afstemming op de elektriciteitsvraag. Dit maakt onderdeel uit van het Programma Noordzee 2022-2027.

Bovengenoemde ontwikkelingen bieden tegelijkertijd ook kansen voor verdienmodellen en exportmogelijkheden op basis van innovatieve technieken en synergie-effecten door multifunctioneel innovatief gebruik van de ruimte. Zo zijn er al ideeën, onderzoek en eerste experimenten op het vlak van het combineren van windparken met aquacultuur en alternatieve vormen van visserij, natuurversterking door oesterbanken, energie uit zon en getijdenstromen en opslag van energie en CO2 in lege gasvelden.

Internationaal

Zowel het gebruik als de natuur strekken zich uit over het gehele internationale Noordzeebekken. Het bovenstaande beeld van een steeds drukker wordende Noordzee en daaruit volgende vraagstukken rondom de verdeling van de schaarse ruimte en de druk op het ecosysteem treden in meer of mindere mate ook op bij de buurlanden. Onderzoek, assessment en beleidsontwikkeling voor de Noordzee vindt voor een belangrijk deel internationaal in EU-, OSPAR- en mondiaal verband plaats.

Op de Nederlandse Noordzee buiten 1 km uit de kust is het Rijk bevoegd gezag. Binnen de context van de internationale beleidskaders ligt bij het Rijk de taak om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ontwikkeling van alle gebruik die om ruimte op de Noordzee vragen, in evenwicht met een gezond ecosysteem. De ambitie is het bereiken van een duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee dat bijdraagt aan de maatschappelijke, economische en ecologische doelstellingen van Nederland. Hierbij moet worden bedacht dat zowel investeringen in de economie en daarvoor benodigde infrastructuur alsook herstel en ontwikkeling van het ecosysteem een zaak van lange adem is. Dit vergt scherpe toekomstbestendige keuzes met stevig maatschappelijk eigenaarschap voor de langere termijn over het samengaan, zoneren en prioriteren van gebruik, over investeringen in verduurzaming en kennis, adaptief beleid en een inzet op internationale afstemming, samenwerking en beleidsontwikkeling.

Aanlanding

Bij het vinden van de maatschappelijke balans op de Noordzee moet de relatie met de ruimtelijk economische ontwikkeling van de aangrenzende delen van Nederland worden betrokken alsook de ruimtelijke invloed op het land. De windenergie van zee landt op een beperkt aantal plaatsen langs de kust aan op het landelijk hoogspanningsnet (in geval van elektriciteit) of gasnetwerk (in geval van moleculen zoals waterstof). Bij de keuze van tracés en aanlandplaatsen houden we rekening met de ruimtelijke invloed op land, met het bestaande net, milieu en de leefomgeving. Om de energie van zee optimaal te gebruiken, wordt aanlanding hiervan aan de kust en de energie-intensieve bedrijvigheid (zowel industrie als bijvoorbeeld datacenters) waar mogelijk verder geconcentreerd. Dit voorkomt onnodig transport van energie naar het binnenland en daarmee samenhangende nieuwe infrastructuur en het daaraan gekoppelde ruimtebeslag. Als een verdere doorgroei van windenergie op zee naar 2050 opportuun is door een stijgende vraag naar elektriciteit, zijn mogelijk ook aanlandingslocaties meer landinwaarts nodig. Voor verder landinwaarts gelegen industriële clusters, zoals Chemical Cluster Emmen en Chemelot worden voor duurzame energie ook andere mogelijkheden voor de energie-infrastructuur verkend, waarbij het behouden van een gelijk speelveld voor energiekosten een aandachtspunt is. Deze clusters van energie-intensieve bedrijvigheid maken tegelijkertijd een energietransitie en een transitie naar circulaire productiemethoden door. Deze bedrijven leveren ook veel restwarmte. Het is zeer wenselijk dat deze restwarmte wordt benut voor bijvoorbeeld verwarming van de gebouwde omgeving.

De energietransitie heeft gevolgen voor de eisen die deze bedrijven aan de fysieke leefomgeving stellen. Soms kan meer ruimte nodig zijn of andere onderlinge verbindingen door nieuwe ketenvorming. Daarnaast hebben deze veranderingen ook consequenties voor bijvoorbeeld woonlocaties of natuur in de omgeving.

Keuzes op de Noordzee
De keuzes voor de Noordzee tot 2030 met een doorkijk tot 2050 zullen door het Rijk worden vastgelegd in het Programma Noordzee 2022-2027, op basis van onderzoeken zoals een PlanMER en een MKBA. Om een stevige bestuurlijke basis met een maatschappelijk draagvlak voor de keuzes voor de lange termijn te borgen, heeft het Rijk in 2020 met de betrokken belangenorganisaties een Akkoord voor de Noordzee gesloten. Dit akkoord bevat afspraken over keuzes en beleid die de strategische opgaven voor de energietransitie uit het Klimaatakkoord, voor natuurherstel en voor een gezonde toekomst voor visserij op de Noordzee concreet en langdurig met elkaar in balans brengen, rekening houdend met andere gebruikers zoals zeevaart en zandwinning. De gemaakte afspraken gaan over met name 1) het beschermen en versterken van het ecosysteem conform EU-regelgeving, 2) de uitrol van windparken tot en voorbij 2030 conform het Klimaatakkoord en opties voor doorvaart en medegebruik, 3) naar aard en omvang aanpassen van de kottervisserij, en 4) de intentie tot structurele samenwerking binnen een Noordzeeoverleg.


Luchthaven in zee

Niet alleen op zee, ook in de lucht daarboven, is de ruimte schaars. De zoektocht naar een mogelijke locatie voor een luchthaven in zee wordt beperkt door de reeds in gang gezette uitrol van windparken op zee in het kader van het Energieakkoord en de Routekaarten 2023 en 2030 voor het Klimaatakkoord, conform het Nationaal Waterplan 2016-2021 en de klimaatambities. Realisatie van de routekaarten voor wind op zee en het kunnen vormgeven van de verdere klimaatambities richting 2050 is staand kabinetsbeleid. Op verzoek van de Tweede Kamer is een quickscan uitgevoerd naar een mogelijke luchthaven in zee[8]. Het Kabinet kiest in de Luchtvaartnota niet voor de aanleg van een luchthaven in zee of het zelf beginnen van verder onderzoek daarnaar. Wel worden de randvoorwaarden bepaald voor partijen die nieuw onderzoek willen doen op basis waarvan het kabinet bereid is dit besluit te heroverwegen.

Beleidskeuze 1.3

 We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte.  

De transitie naar hernieuwbare energie vraagt meer ruimte voor transport, distributie, conversie en opslag van energie, zowel boven- als ondergronds. De kaart ‘Energie-infrastructuur en grootschalige opwekking van energie’ in de Toelichting geeft een beeld van de huidige grootschalige nationale energie infrastructuur op land en bestaande en aangewezen windenergiegebieden. In plaats van enkele relatief grote ‘puntbronnen’ (centrales) en transport van energie in één richting zal sprake zijn van meerdere, vaak decentrale en sterk in grootte verschillende bronnen (zon-, wind- en bodemenergie) en tweerichtingsverkeer (gebruik en productie) van energie. Het is van belang dat de toekomstige energievoorziening goed ingebed is in het Europese energienetwerk.

Programma Energiehoofdstructuur

Het Rijk stelt een Programma Energiehoofdstructuur op voor de ruimtelijke planning van het energiesysteem.[9] De ambitie van het Programma Energiehoofdstructuur is tijdig te zorgen voor voldoende ruimte voor de nationale energiehoofdstructuur, op basis van een integrale afweging met andere opgaven en belangen, binnen een (inter)nationale context en waarbij een goede leefomgevingskwaliteit randvoorwaarde is. Het programma heeft betrekking op ruimtelijk beleid op land en de grote wateren en hanteert als tijdshorizon 2030-2050. Het gaat dus over het gehele Nederlandse grondoppervlak, uitgezonderd de Noordzee. Bij deze afwegingen wordt tevens rekening gehouden met het fysieke ruimtebeslag en milieu- en risicocontouren. De vitale energie-infrastructuur moet klimaatbestendig worden aangelegd en bestand zijn tegen overstromingen.

Grootschalige nationale energie-infrastructuur.
Het Rijk stelt een Nationaal Programma Energiesysteem op om ruimte te reserveren voor de nationale energie-infrastructuur. (TenneT)

In het Programma Energiehoofdstructuur zal nauw worden samengewerkt met medeoverheden en andere belanghebbenden, en het programma komt in wisselwerking tot stand met tal van andere trajecten en programma’s, zoals de Regionale Energie Strategieën (RES'en). In het Nationaal Programma RES stemmen Rijk en decentrale overheden de keuzes met elkaar af (ieder vanuit zijn eigen rollen en verantwoordelijkheden).[10] Daarnaast vindt ook afstemming plaats met het Programma Bodem en Ondergrond.

Waterstof en groen gas

CO2-neutrale gasvormige energiedragers zoals waterstof en groen gas blijven in 2050 en daarna een noodzakelijke rol spelen in het energiesysteem. In de industrie zijn deze nodig als grondstof en leveren deze hoge-temperatuurproceswarmte. In de mobiliteitssector zullen gasgebaseerde brandstoffen nodig zijn voor een deel van de zware mobiliteit. In de gebouwde omgeving kunnen deze nodig zijn voor het leveren van piekvermogen in warmtenetten. Bij de verduurzaming van oude stadskernen en buitengebieden zijn ze nodig als warmtenetten of elektrificatie moeilijk haalbaar zijn. Tot slot kunnen hernieuwbare gassen een rol spelen in het leveren van piekvermogen bij een hoge elektriciteitsvraag of bij lage elektriciteitsproductie door tegenvallende weersomstandigheden. Voor die laatste functie zal gebruik van waterstof of groen gas onderdeel zijn van een mix met de vele andere voor deze functie beschikbare oplossingen zoals vraagsturing en elektrische en mechanische opslag.

In deze vraag, die richting 2050 groter is dan nu, zal moeten worden voorzien. Voor de noodzakelijke opschaling van de productie van groen gas en waterstof gelden de kaders voor het biomassabeleid (duurzaamheid, hoogwaardigheid en doelmatigheid) en het duurzaamheidskader. Voor de productie, transport, opslag en conversie van deze gassen is ruimte nodig, zowel direct in de vorm van fysieke ruimte voor buizen en installaties als indirect in termen van risicocontouren en milieugebruiksruimte. Deze vraag naar ruimte wordt betrokken in het Programma Energiehoofdstructuur.

Bij de productie van waterstof treedt energieverlies op. Daardoor zijn voor dezelfde hoeveelheid energie in waterstof meer windmolens of zonnepanelen nodig dan als deze energie in elektriciteit zou zijn afgenomen. Deze extra windmolens of zonnepanelen vragen ook extra ruimte. Als waterstof weer wordt omgezet in elektriciteit treedt opnieuw energieverlies op. Uit oogpunt van efficiënt ruimtegebruik is het daarom belangrijk dat waterstof vooral daar wordt ingezet waar dat noodzakelijk is en in andere gevallen gekozen wordt voor andere energiedragers. Dergelijke afwegingen moeten echter bezien worden in een bredere context van een internationale marktontwikkeling, vraag en aanbod, import en export, kosten, en dergelijke.

Laadinfrastructuur

De transitieopgave naar een volledig duurzame mobiliteit vraagt om een slim, dekkend en betrouwbaar laadnetwerk en energiesysteem. Uitgangspunt is dat de levering en de exploitatie van de laadinfrastructuur primair de verantwoordelijkheid van de marktpartijen blijft. De laadinfrastructuur mag geen drempel vormen bij de uitrol van elektrisch vervoer. Het moet voor de consument aantrekkelijk zijn om nu én in de toekomst elektrisch te rijden en daarbij overal in Nederland op een eenvoudige en eenduidige manier gebruik te kunnen maken van de laadinfrastructuur. In de Nationale Agenda Laadinfrastructuur[11]  zijn activiteiten opgenomen die zullen zorg dragen voor:

  • een voldoende dekkende laadinfrastructuur;
  • een verkorting van de doorlooptijden en een strategische plaatsing van laadinfrastructuur alvorens de vraag ontstaat;
  • toegankelijke informatie zoals de locatie en beschikbaarheid van de laadpunten en de laadtarieven;
  • toekomstbestendige laadinfrastructuur gericht op smart charging om capaciteitsbelasting van het elektriciteitsnet zo veel mogelijk te voorkomen.

Marktpartijen, gemeenten, provincies en de Rijksoverheid zijn momenteel samen verantwoordelijk voor de uitrol van de (snel)laadinfrastructuur. Rijksoverheid, kennis- en brancheorganisaties en marktpartijen ondersteunen de uitrol via onder meer stimulering van de samenwerking op regionaal niveau en het aanbieden van expertise, tooling, richtlijnen en standaarden.

Tal van keuzes voor de laadinfrastructuur beïnvloeden de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Deze keuzes gaan over de plaats van laadpunten, wijze en route van transport van energie naar deze laadpunten en keuzes over opslag. Ook voor deze keuzes geldt dat het combineren van opgaven voorkeur heeft (bijvoorbeeld bundelen van hoogspanningsleidingen naar oplaadpunten met andere infrastructuur) waarbij rekening moet worden gehouden met kenmerken en identiteit van gebieden (minder of andersoortige oplaadpunten in historische kernen) en afwentelen moet worden voorkomen (bijvoorbeeld oplaadpunten nabij huidige tankstations langs de snelweg). Evenals bij andere keuzes weegt ook hier de invloed van keuzes op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, landschap en de robuustheid van het water- en bodemsysteem mee.

Beleidskeuze 1.4

We realiseren de opgave van duurzame energie met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies.

De ruimtelijke implicaties van de opgave van duurzame energie kunnen groot zijn[12]. Het meest zichtbare onderdeel vormt de opwekking van elektriciteit met wind en zon. De omvang van de effecten is afhankelijk van de hoeveelheid eigen opwekking en van specifieke keuzes over de opstelling (extensieve opstellingen van wind en zon versus intensieve opstellingen). Voor zon-PV op het dak bijvoorbeeld ligt de bandbreedte voor de benodigde oppervlakte in 2050 tussen de 67-215 Km2, voor zon-PV op land tussen 160-783 Km2. Voor wind gaat het op land om een bandbreedte van tussen de 1.250-5.000 Km2 (10-20 GW), voor wind op zee is dat 3.800-12.000 Km2 (38-72 GW). Ook elektrolyse heeft ruimte nodig; de bandbreedte geeft aan 1-15 Km2, die vooral in drukbezette havengebieden gevonden moet worden. Vanzelfsprekend zijn de uiteindelijke ruimtelijke effecten, qua oppervlak en verschijningsvorm, afhankelijk van keuzes. Als bijvoorbeeld gekozen wordt voor kernenergie, dan zal het opgesteld vermogen aan wind en zon omlaag gaan. Ook zullen keuzes in de warmtevoorziening effect hebben op het benodigd opgesteld vermogen wind en zon.

Medeoverheden geven, in samenwerking met de energiesector, gebruikers en andere belanghebbenden, in de RES’en invulling aan de afspraak uit het Klimaatakkoord dat in 2030 35 TWh grootschalige hernieuwbare elektriciteitsopwekking op land (>15kW) moet zijn gerealiseerd.
Zij houden daarbij rekening met bovenregionale effecten zoals op landschap, natuur, landbouwgronden en op de energiehoofdstructuur. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor een duurzame warmtevoorziening. In de Transitievisies Warmte worden per wijk keuzes gemaakt over de warmtevoorziening.

Overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties werken samen aan het bijtijds halen van doelstellingen, die in het Klimaatakkoord zijn bepaald. Het Nationaal Programma RES vormt een platform voor onderling samenwerken, vergelijken, leren en uitdagen. In dit programma vindt ook de monitoring van de doelen plaats, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord. Het Rijk is daarbij betrokken vanuit het belang dat de energietransitie op een voor de leefomgeving goede en ook kostenefficiënte manier ruimte krijgt (ruimte-efficiëntie naast kostenefficiëntie). Het benutten van mogelijkheden voor energiebesparing helpt hierbij. Daardoor is minder ruimte nodig voor het produceren, transporteren en opslaan van energie. 

De energietransitie kan een hefboom zijn voor kwaliteitsverbetering, zowel ruimtelijke als bijvoorbeeld voor ecologische, economische of sociale verbeteringen. Hieraan wordt onder meer invulling gegeven met het Pilotprogramma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER), waarin verschillende projecten voor energie op Rijksgronden in samenspraak met de RES’en worden opgezet. In aansluiting op het principe van combineren met functies worden in die pilots kansen verkend om bijvoorbeeld wind te combineren met realisatie van bos of natuur zoals dat vaker in het buitenland gebeurt en zonnepanelen op geluidswallen te plaatsen, waarmee energie tevens meer opgaat in een bepaald landschap. Ook bij de voorziene aanleg van nieuwe bossen of natuur, zoals in de Bossenstrategie, kan de combinatie met energie kansen bieden, in het bijzonder ook omdat energie als verdienmodel kan gelden voor landschapsbeheer.

Afhankelijk van de kenmerken en identiteit van het gebied kan in RES’en ook aan onderstaande overwegingen een meer of minder bepalende rol worden gegeven.

Ondergrond

De energietransitie kan net als bovengronds in de diepere ondergrond grote invloed hebben op het ruimtegebruik. De ondergrond kan door middel van bodemenergie en geothermie substantieel bijdragen aan het voorzien in hernieuwbare warmte en koude. Bovendien biedt de ondergrond mogelijkheden voor de opslag van CO2 en energiedragers als stikstof, waterstof en perslucht en seizoensopslag van overtollige warmte. Deze toepassingen zijn mogelijk als dit duurzaam, veilig en efficiënt kan. Voor al deze activiteiten zijn zowel bovengrondse installaties nodig als ondergrondse bronboringen, kabels en leidingen. In stedelijk gebied is het nu al overvol in de ondergrond. Gebrek aan ruimte voor kabels en leidingen is een groot aandachtspunt. Daarom is het belangrijk dat bij aanleg, onderhoud en vervanging van ondergrondse netwerken van kabels en leidingen zo veel mogelijk opgaven worden gecombineerd en te streven naar de laagste maatschappelijke kosten en zo min mogelijk overlast. In het interbestuurlijke Programma Bodem en Ondergrond zal aandacht zijn voor deze onderwerpen. Dit programma heeft als doel het bevorderen van duurzaam beheer en gebruik van bodem, ondergrond en grondwater.

Mobiliteit

Het Klimaatakkoord noemt veel maatregelen voor mobiliteit waarvoor op regionaal schaalniveau ruimtelijke maatregelen nodig zijn. Zo wordt voor 2030 voorzien dat veel vervoer batterij-elektrisch en (vooral zwaarder vervoer) met waterstof wordt aangedreven. Hiervoor wordt de eerdergenoemde Nationale Agenda Laadinfrastructuur[13] opgesteld. Hierin is afgesproken dat elke Nederlandse gemeente eind 2020 een integrale visie op uitrol van laadinfrastructuur vaststelt, die wordt geborgd in de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de RES. De uitvoering van deze agenda wordt voor provincies en gemeenten vertaald in regionale mobiliteitsplannen. De lokale behoefte aan laadinfrastructuur zal onderdeel zijn van deze programma’s. Daarnaast begon na ondertekening van het Klimaatakkoord per regio en ook nationaal een programma slimme en duurzame mobiliteit. Deze programma’s geven sturing aan afspraken in het Klimaatakkoord voor mobiliteit. Het Nationale Programma RES legt relaties met onder meer de NOVI en de Nationale Woonagenda 2018-2021[14]. De afspraken in het kader van de regionale en nationale programma’s komen in de Bestuurlijk Overleggen MIRT op de agenda. Op regionaal niveau zullen relaties gelegd worden tussen het uitvoeringsprogramma Nationale Agenda Laadinfrastructuur, het Programma Slimme en duurzame mobiliteit en de RES.

Landelijk gebied en grote wateren

Het landelijk gebied en de grote wateren gaan een grote bijdrage leveren aan vermindering van de CO2-uitstoot. De gevolgen van klimaatverandering moeten in overweging worden genomen bij de inrichting en herinrichting van deze gebieden. Windmolens en zonnevelden moeten zorgvuldig in het landschap worden ingepast. Innovatie kan hierbij helpen, bijvoorbeeld met kleinere windmolens die meer energie opleveren. Ook water biedt ruimte voor energieproductie, zowel voor productie van warmte als van elektriciteit. Ontwikkelingen op het gebied van aquathermie kunnen snel gaan. Zonneweides of windmolens kunnen ook economische dragers voor het landelijk gebied worden. Productie van duurzame energie levert – bijvoorbeeld als windmolens in landbouwgebieden worden geplaatst – inkomsten op voor de landbouw, maar ook voor kleine kernen (een voorbeeld is de ‘dorpsmolen’ die financieel bijdraagt aan voorzieningen). Vooral daar waar door verzilting de landbouw al onder druk staat, of bijvoorbeeld in krimpgebieden, biedt dit kansen.

Biomassa

Daarnaast zijn er mogelijkheden voor biomassa uit bijvoorbeeld reststromen in de landbouw. Duurzame biomassa is een onmisbaar onderdeel in de klimaatopgave en de transitie naar een circulaire economie in Nederland. Ook is het de verwachting dat niet alleen in Nederland maar ook mondiaal duurzame biomassa op termijn maar beperkt beschikbaar is, terwijl er veel vraag naar zal zijn. Het beleid van het kabinet heeft tot doel om op een verantwoorde en effectieve manier duurzame biomassa te benutten.

Innovaties in duurzame energie

Combineren van opgaven

De maatregelen in de RES’en worden in de regio gecombineerd met andere opgaven in het stedelijk en landelijk gebied. Ook komen reserveringen voor transport, distributie en opslag van energie aan bod. Omdat de veranderingen door deze maatregelen zo’n directe invloed hebben op de leefomgeving van mensen, en omdat maatregelen vaak een plek moeten krijgen in een al heel drukke omgeving, is het belangrijk om deze zoveel mogelijk in samenhang te plannen. In stedelijk gebied kunnen maatregelen voor de energietransitie bijvoorbeeld worden gecombineerd (en meegekoppeld) met de bouwopgave, met een gezonde, veilige en klimaatadaptieve inrichting van onze omgeving en met maatregelen voor bereikbaarheid en renovaties die om andere redenen worden ingezet. Hierdoor wordt overlast zo veel mogelijk beperkt en ontstaat een zo hoog mogelijke kwaliteit van de leefomgeving. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat sprake is van driedimensionale ordening.

De in de RES afgesproken maatregelen vinden via de provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies hun weg in omgevingsplannen, -programma’s en -vergunningen van gemeenten. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor 1 januari 2025 omgevingsvergunningen voor zon- en windprojecten zijn verleend.

Keuzes bij inpassing duurzame energie


Richtingen die meegegeven worden aan de RES zijn:
1.   Voorkeur voor grootschalige clustering
Grootschalige clustering van de productie van duurzame energie (door windmolens, eventueel in combinatie met zonnevelden) vermindert de ruimtelijke afwenteling en draagt bij aan kostenreductie. Waar mogelijk heeft dit de voorkeur. Hier ligt echter wel een expliciete afweging tegenover andere waarden, zoals landschappelijke kenmerken, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water en bodem en maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Voorwaarde is dat bewoners echt goed betrokken zijn, invloed hebben op het gebruik en waar dat kan meeprofiteren in de opbrengsten. Het is van belang aandacht te besteden aan natuurinclusief ontwerp en beheer bij duurzame energieprojecten om verstoring of aantasting van natuur en biodiversiteit zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast zijn er ook mogelijkheden natuur te versterken, door bijvoorbeeld onderwaternatuur te realiseren bij windprojecten op water.

2. Voorkeursvolgorde voor zon-PV
Op dit moment worden in toenemende mate zonneparken in veldopstelling ontwikkeld, soms ten koste van de kwaliteit van het landelijk gebied. Om te stimuleren dat locaties zorgvuldig worden uitgekozen, heeft het Rijk in samenwerking met medeoverheden en andere belanghebbenden een voorkeursvolgorde uitgewerkt.

De afwegingprincipes van de NOVI leiden tot een voorkeur voor zonnepanelen op daken van gebouwen. Het inpassen op daken en gevels draagt niet alleen bij aan het combineren van functies. Omdat hier al sprake is van bebouwing, zal het introduceren van zonnepanelen op deze plekken doorgaans minder invloed hebben op de kenmerken of identiteit van een gebied.

Vanuit diezelfde principes hebben daarna onbenutte terreinen in bebouwd gebied de voorkeur. Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval gaat de voorkeur uit naar het zoeken van slimme functiecombinaties. Hoewel natuur- en landbouwgebieden daarbij niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, binnenwateren of areaal in beheer van het Rijk (zoals Rijkswaterstaat, ProRail, Staatsbosbeheer), waaronder waar mogelijk bermen van spoor- en autowegen.

Deze voorkeursvolgorde houdt geen volgtijdelijkheid in. Na het verkennen van mogelijkheden voor het toepassen van zon-PV kan worden begonnen met het gelijktijdig benutten van gekozen mogelijkheden. Deze voorkeursvolgorde wordt meegenomen in de Regionale Energiestrategieën.

Als onderdeel van het RES-proces zullen deze kwalitatief gewaardeerd worden in het Nationaal Programma RES. In deze waardering wordt gekeken hoe ruimtelijke belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Daarbij zal voor zon-PV worden nagegaan of de voorkeursvolgorde uit de NOVI in deze afweging goed is betrokken. Daarnaast zal het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) worden gewijzigd, waardoor gemeenten meer mogelijkheden krijgen voor het bevorderen van zon-PV op daken. Ook wordt de subsidieregeling SDE++ aangepast waardoor deze bijdraagt aan de voorkeursvolgorde.

3. Energiebesparing, warmtenetten en ander gebruik van bestaande gasleidingen
De warmtetransitie in de gebouwde omgeving vraagt om een strategie op regionale en lokale schaal. In deze strategie is energiebesparing een belangrijke eerste stap (ook omdat dat de ingreep in de omgeving beperkt). Voor de resterende warmtevraag moeten alternatieven voor verwarmen met aardgas gerealiseerd worden, zoals restwarmte, geothermie, aquathermie, duurzame gassen en volledig elektrische oplossingen. De keuze voor een alternatieve warmtevoorziening is van vele aspecten afhankelijk, waaronder de beschikbaarheid van warmtebronnen, de warmtevraag, de bouwtechnische mogelijkheden om te isoleren, de kosten, de mogelijkheid om de warmtetransitie te combineren met andere maatschappelijke opgaven (‘slim combineren’) en ruimtelijke aspecten.

Waar gekozen wordt voor warmtenetten, moet de ruimtelijke planning van warmtenetten zorgvuldig worden afgewogen en gecombineerd met andere functies in de ondiepe ondergrond. Gemeenten voeren de regie over de planning, aanleg en uitfasering van netwerken van kabels en leidingen. Onderhoud en beheer van die verschillende infrastructuren zijn in handen van netbeheerders en warmtebedrijven. Waar mogelijk worden deze activiteiten gecombineerd met andere maatschappelijke opgaven, zoals klimaatadaptatie.

Bij activiteiten in de ondergrond worden de uitgangspunten van de Structuurvisie Ondergrond in acht genomen. Om ook in de toekomst over voldoende schoon grondwater voor drinkwater te kunnen beschikken, worden door provincies Aanvullende Strategische Voorraden (ASV’s) aangewezen (met een bijbehorend beschermingsregime). Bij de afweging voor geothermie moet regionaal rekening worden gehouden met deze ASV’s.

In de RES worden ook mogelijkheden verkend voor winning van hernieuwbare energie uit de ondergrond (geothermie, bodemenergie), tijdelijke opslag van energie en aquathermie. Waar mogelijk worden deze activiteiten gecombineerd met andere maatschappelijke opgaven, zoals aanleg en onderhoud van rioleringen, kabels en leidingen. Als dat nodig is, reserveren overheden ruimte voor ‘backbones’ tussen lokale warmtenetten.

Vanuit ruimtelijk perspectief heeft duurzame warmteproductie vaak het voordeel dat het minder zichtbare installaties nodig heeft dan voor duurzame elektriciteit nodig zou zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als veel restwarmte vanuit de industrie aanwezig is of er mogelijkheden voor geothermie aanwezig zijn. Door het gebruik hiervan via warmtenetten wordt elders ruimte gespaard voor de productie van duurzame elektriciteit (wind of zon), die anders voor de verwarming van woningen en andere gebouwen nodig zou zijn. Dat voordeel van warmtenetten sluit dus aan op het afwegingsprincipe ‘voorkomen van afwenteling’. Om die reden moeten warmtenetten goed worden verkend en expliciet afgewogen tegen andere opties.

 

Nationale keuzes klimaatadaptatie en energietransitie


[1] Ministerie Infrastructuur en Milieu e.a., Kustpact, Den Haag 2017.
[2] Ministerie van Infrastructuur en Milieu & Ministerie van Economische Zaken, Nationaal Waterplan 2016-2021, Den Haag 2015.
[3]Deltacommissaris, Deltaplan Zoetwater, Den Haag 2017, zie https://deltaprogramma2018.deltacommissaris.nl/viewer/chapter/1/2-deltaprogramma-/chapter/1-deltaplan-zoetwater.html
[4] Ministerie van Infrastructuur en Milieu & Ministerie van Economische Zaken, Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee: Partiële herziening van het Nationaal Waterplan 2016-2021 vanwege de aanwijzing van de gebieden Hollandse Kust en Ten Noorden van de Waddeneilanden voor het onderdeel windenergie op zee, Den Haag 2014.
[5] Ministerie van Economische Zaken, Routekaart Windenergie op Zee, TK 33561, nr. A/11, Den Haag 2014.
[6] Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Routekaart Windenergie op Zee 2030, TK 33561, nr. 42, Den Haag 2018.
[7] Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving, Adviesrapport: Verkenning Noordzeestrategie 2030, Den Haag 2019.
[8] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Resultaten quickscan luchthaven in zee, TK 31936, nr. 577, Den Haag 2019.
[9] Zie ook Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Afbakening Programma Energiehoofdstructuur, TK 31239, nr. 317, Den Haag 2010.
[10] Nationaal Programma Regionale Energiestrategie, zie www.regionale-energiestrategie.nl
[11] Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nationale Agenda Laadinfrastructuur (Achtergrondnotitie ten behoeve van de sectortafel Mobiliteit in het kader van het Klimaatakkoord), Den Haag 2019.
[12] Berenschot en Klavasta, Klimaatneutrale energiescenario’s 2050. Scenariostudie ten behoeve van de integrale infrastructuurverkenning 2030-2050. Utrecht 2020. Bijlage bij Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, kabinetsaanpak Klimaatbeleid. TK 32813 nr. 493, Den Haag 2020.
[13] Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nationale Agenda Laadinfrastructuur (Achtergrondnotitie ten behoeve van de sectortafel Mobiliteit in het kader van het Klimaatakkoord), Den Haag 2019.
[14] Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Nationale Woonagenda 2018-2021, Den Haag 2018.

 
Cookie-instellingen