Toekomstperspectief

Toekomstperspectief

> Een klimaatbestendige delta
> Duurzaam, concurrerend en circulair
> Kwaliteit van leven in stedelijke en landelijke regio's
> Nabijheid en betrouwbare verbindingen
> Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk
> Het vizier op 2050

In 2050 is Nederland een land waarin het gezond, veilig en fijn wonen en leven is. Waar de inwoners de hoge leefomgevingskwaliteit voelen en waarderen. Waar iedereen de ruimte heeft zich te ontplooien. Een land met een gezonde, toekomstbestendige economie. Een economie die duurzaam en circulair is en floreert. Waar we schaarse grondstoffen in de grond laten zitten of hergebruiken en fossiele brandstoffen hebben vervangen door duurzame bronnen. Een land dat nauw verbonden is met zijn buurlanden en de rest van de wereld en een actieve speler is in de internationale gemeenschap. Een land waar vitale sectoren robuust zijn vormgegeven. Om deze ambities waar te maken heeft Nederland een aantal fundamentele keuzes moeten maken, want niet alles kan en niet alles kan overal. Effectief en consequent doorvoeren van deze keuzes heeft ons een veilig, duurzaam en economisch sterk land opgeleverd met een hoge kwaliteit van leven.

Dilemma’s:

Dit toekomstperspectief schetst bewust een ideaalbeeld voor 2050. Voor veel keuzes geldt echter dat we te maken hebben met dilemma’s: er zijn meerdere opties en voor meerdere is een goede onderbouwing te vinden. In de kaders staan voorbeelden van dilemma’s waarin we een weg moeten vinden. In de nota 'De opgaven voor de Nationale Omgevingsvisie' heeft het kabinet eerder een overzicht van dilemma’s gegeven.


Het Nederland van 2050 is als dichtbevolkte en hoogontwikkelde delta een brandpunt in de Europese ruimtelijk-economische structuur, mede door de uitstekende verbindingen, fysiek en virtueel, boven- en ondergronds, door de lucht, over land en water, met grote stedelijke regio’s en economische kerngebieden als de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied en met regio’s in andere delen van de wereld. Nederlandse steden en stedelijke regio’s profiteren hier in hoge mate van. Samen met ons uitstekende vestigingsklimaat en een hoge kwaliteit van leven bepaalt dit in belangrijke mate onze welvaart en ons welzijn.

Het land bestaat uit een mozaïek van gebieden die onderling mogen verschillen. Elke stad, dorp of regio doet ertoe en heeft zijn eigen rol en betekenis in het geheel. Het land heeft meer metropolitane kenmerken en kwaliteiten dan nu, maar heeft ook in 2050 nog een open en polycentrische ruimtelijke structuur. Het kent tegelijk een rijkgeschakeerd patroon van meer landelijke gebieden met meest agrarische, natuurlijke en landschappelijke functies. Daar woont, werkt en leeft een substantieel deel van de bevolking. Steden en dorpen zijn aangenaam en vitaal, het platteland is productief en aantrekkelijk.

Het grootste deel van de bevolking leeft, woont en werkt in stedelijke regio’s. Stedelijk Nederland functioneert als een netwerk van onderling goed met elkaar verbonden steden en regio’s, gedragen door een snel, duurzaam en comfortabel mobiliteits- en transportsysteem. Stedelijk Netwerk Nederland – de Randstad, Amersfoort, Zwolle, Arnhem-Nijmegen, Brabantse stedenrij, met uitlopers naar Twente, Groningen en (Zuid-)Limburg – is het kloppend hart van land en economie. Een land met uitstekende bereikbaarheid, waar door allerhande innovaties iedereen zich soepel kan verplaatsen, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast. Waar een duurzame en circulaire economie zich kan ontwikkelen, gekoppeld aan multimodale logistieke corridors. Waar locaties voor wonen en werken zorgvuldig zijn gekozen mede om lopen en fietsen te stimuleren, het openbaar vervoer (OV) aantrekkelijk te maken en natuur en landschap te sparen. Waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontmoeten, ontspannen en tot onszelf te komen.

Verweven en verbonden met stedelijk Nederland wordt landelijk Nederland gedragen door een zorgvuldig in balans gehouden water-bodemsysteem. Landelijk gebied bestaande uit veenweiden, grasland, akkers, moeras, water en bos, uit kleinere steden, dorpen en verspreide bebouwing. Waar kringlooplandbouw en natuur floreren en schoon water(voorraden) duurzaam benut en beheerd worden. Waar oude, unieke landschappen zijn bewaard en nieuwe gecreëerd zijn. Waar in kleinere steden, dorpen en verspreid over het land mensen wonen, werken en leven.  

De Noordzee wordt in 2050 intensief gebruikt en de natuurwaarde is hersteld. Schepen varen nog altijd af en aan naar de Noordzeehavens. De visserij is van karakter veranderd, maar de grootste veranderingen zitten in de afname van de olie- en gasinstallaties en de grote toename van het aantal windparken en bijbehorende energie-infrastructuur, opslag en conversiefaciliteiten: zij bepalen het beeld boven water. Hoewel intensiever gebruikt dan ooit, is het Noordzee-ecosysteem hersteld en het vrije uitzicht vanaf de kust en het cultureel erfgoed onder water (onder andere uit ons rijke zeevaartverleden) behouden gebleven. Het benutten van synergie-effecten door multifunctioneel en innovatief gebruik van de ruimte, zoals het combineren van windparken met aquacultuur, natuurversterking door aanleg van oesterbanken, energie uit zon en getijdenstromen en opslag van energie en CO2 in lege gasvelden, heeft hier sterk aan bijgedragen.

Nederland is een gezond, schoon klimaatbestendig land, met veel ruimte voor groen en water. Het is een veilig land, zo goed mogelijk beschermd tegen overstromingen en andere maatschappij-ontwrichtende gevaren. Waar ruimte voor de rivieren, natuur, landschap en scheepvaart samengaan. Waar op zee en op land een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water. Een land in Europa dat openstaat voor verandering en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving, rekening houdend met zijn internationale context. Een land waar ontwikkeling samengaat met verbetering van zijn leefomgeving.

Wat willen we?

Dit toekomstperspectief is een ideaalbeeld. Niemand kan voorspellen hoe Nederland er in 2050 daadwerkelijk uitziet. We weten dat het Nederland van 2050 zal verschillen van het Nederland van nu, net zoals het Nederland van 1990 verschilde van het Nederland van nu. Hoewel veel uit 1990 nu nog herkenbaar is, zo mogen we ook verwachten en willen dat ons land in 2050 ook nog herkenbaar is en voelt als ons thuisland. We weten dat sommige maatschappelijke en technologische ontwikkelingen van grote invloed zullen zijn op onze leefomgeving. Sommige kunnen we beïnvloeden, andere komen onstuitbaar op ons af. Maar hoe en in welke mate? Belangrijker voor nu is de vraag in wat voor land we zouden willen leven. Het antwoord daarop bepaalt hoe we om willen gaan met veranderingen die ontegenzeggelijk op ons afkomen. Welke ambities hebben we en welke waarden streven we na? Wat willen we behouden en wat willen we dat er verandert? Als we dat helder hebben, kunnen we beter sturen en de juiste beslissingen nemen voor de toekomst.

Rijk, regio, één overheid?

Keuzes maken is één ding, maar wie maakt de keuzes, wie is verantwoordelijk voor welke keuzes en hoe voeren we die door? Versterken we de sturingskracht van gemeenten en provincies, kiezen we voor meer regie door het Rijk, kiezen we voor een gedifferentieerde aanpak per opgave?


Het hier geschetste beeld van 2050 geeft daarbij richting, het is geen eindpunt. Ook in 2050 zal Nederland niet af zijn. Gedurende de komende dertig jaar en daarna zullen nieuwe en andere opgaven zich voordoen, wensen en inzichten zullen veranderen en nieuwe keuzes zullen nodig zijn. Het is zaak de vinger aan de pols te blijven houden van ontwikkelingen, behoeften en mogelijkheden en daar adequaat op te anticiperen of te reageren, zodat ons toekomstperspectief en omgevingsbeleid steeds actueel en relevant blijven. Daartoe beschikt Nederland over een hoogontwikkeld cyclisch en adaptief stelsel van omgevingskennis, -beleid en -regels dat aansluit bij maatschappelijke ontwikkelingen en behoeften.

Toekomstperspectief

Niet iedereen heeft hetzelfde ideaal. De een voelt zich thuis in een dynamische metropool, de ander wil liever een zo landelijk mogelijke leefomgeving. Naarmate de leefomgeving meer differentiatie biedt kan die beter voorzien in uiteenlopende behoeften, dit vraagt om sturen op verschillen tussen gebieden. Daarvoor moeten we met elkaar afgestemde keuzes maken en ons land heel bewust inrichten. De wensen en ambities die we daarbij hebben, proberen we in dit toekomstperspectief bijeen te brengen.

Een klimaatbestendige delta

 

Klimaatverandering

Om in ons laaggelegen land te kunnen blijven wonen, leven en ondernemen hebben we er in 2050 voor gezorgd dat Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering. Door over te gaan op een CO2-arme en circulaire economie draagt Nederland in een internationale coalitie bij aan het voorkomen van verdere klimaatverandering. Extreme weersomstandigheden komen desondanks nog steeds voor: hogere temperaturen, een hogere zeespiegel, nattere winters, hevige piekbuien en droge zomers. Daaraan hebben we ons aangepast. We hebben onze gebouwde omgeving in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Bijvoorbeeld door voldoende aanwezigheid van plekken met water en groen om hittestress tegen te gaan en wateroverlast te voorkomen. Ook onze vitale infrastructuur, zowel onder- als bovengronds, is bestendig tegen extreme weersomstandigheden.

Focus op sectorale doelen of op integrale aanpak

Juist bij onderwerpen die met veiligheid en gezondheid te maken hebben en zeker als er sprake is van crisis of urgentie staat het behalen van deze doelen en direct handelen snel voorop. Veel bedreigingen en kansen als gevolg van klimaatverandering manifesteren zich echter pas na verloop van jaren en vallen geheel of gedeeltelijk samen met andere inrichtings- en beheerskwesties.


Waterveiligheid

Nederland is een delta, die voor een vijfde deel uit water en zee bestaat. Met waterveiligheid en waterhuishouding hebben we eeuwenlange ervaring. Waterveiligheid, basisvoorwaarde voor het leven in ons land, is in 2050 gegarandeerd, ook in het laaggelegen westen van ons land. We hebben ruimte gereserveerd in de Noordzee voor zandwinning en ruimte ingericht voor robuuste waterkeringen, in de vorm van sterke dijken en een verbreedde kuststrook. Ook hebben rivieren en beken, waar nodig en vaak gecombineerd met natuur- en landschapsontwikkeling, meer ruimte gekregen.

Zoetwater en drinkwatervoorziening

Tegelijk hebben we voldoende zoetwater beschikbaar van goede kwaliteit. We hebben maatregelen genomen tegen verzilting, daling van het grondwaterpeil en verontreiniging (bijvoorbeeld door meststoffen, microplastics of medicijnresten). We zijn zuinig met water en zorgen ervoor dat we water beter vast kunnen houden en bergen. Zo zorgen we voor voldoende water van een goede kwaliteit en hoeven drinkwaterbedrijven minder maatregelen te nemen voor het leveren van schoon water. Waar we vroeger afvalwater loosden, winnen we nu steeds meer grondstoffen en warmte terug uit dat water. In 2050 zetten rioolwaterzuiveringsinstallaties maximaal in op hergebruik van afvalwater voor het winnen van grondstoffen.

Duurzaam, concurrerend en circulair

Vestigingsklimaat en kwaliteit van leven

Nederland heeft in 2050 een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge kwaliteit van leven en is nauw verbonden met de rest van de wereld. Dat open karakter bepaalt in belangrijke mate onze welvaart en ons welzijn. Aan onze grensoverschrijdende relaties en bereikbaarheid hechten we dan ook groot belang. Nederland heeft een kwalitatief hoogwaardig onderwijs- en wetenschapssysteem met goed presterende instellingen en innovatiecentra en ruimte voor talentvolle onderzoekers en kenniswerkers uit binnen- en buitenland. Ons land is goed aangesloten op markten en ontwikkelingen buiten onze landsgrenzen en internationale samenwerkingsverbanden. Tegelijk zijn we niet naïef en zijn data en kennis in Nederland vanzelfsprekend veilig. Nederland is in 2050 nog steeds één van de vijf meest concurrerende economieën van de wereld.

Toekomstbestendig

Een belangrijk uitgangspunt is dat onze economie toekomstbestendig is. Duurzaamheid en groei gaan hand in hand. Dat betekent dat we afscheid hebben genomen van de vervuilende manieren van produceren en consumeren, waarbij we onze leefomgeving schade berokkenen. Daarom werkt Nederland samen met andere landen aan een duurzame en circulaire economie. Een economie met een sterk verdienpotentieel, met een bestendige groei. Zodat wij onze welvaart behouden en tegelijkertijd bijdragen aan een stabiel klimaat, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en afhankelijkheid van eindige fossiele grondstoffen. Dit is in lijn met de Parijse klimaatdoelstelling om in 2050 vrijwel geheel klimaatneutraal te zijn. Ook de doelstelling om in 2050 een economie te hebben die 100 procent circulair is, is dan gehaald. Dit betekent dat we geen afval meer hebben en grondstoffen steeds opnieuw gebruiken, zonder de problemen te verplaatsen naar andere gebieden of af te wentelen op toekomstige generaties.

Aansluiten bij de investeringscycli van het bedrijfsleven of reguleren?

Bij de meeste industriële sectoren zal verduurzaming uit innovatie moeten komen, maar Nederland heeft gelet op de opgave geen tijd om op innovatie alleen te vertrouwen. Maatregelen kunnen de toepassing van innovatieve technieken versnellen. Enerzijds worden inventiviteit en innovatie daardoor gestimuleerd, kan Nederland daar een concurrentievoordeel behalen en wordt de wereld er schoner van. Anderzijds kunnen eenzijdig opgelegde maatregelen tot kostenverhoging, verslechtering van de concurrentiepositie en via verplaatsing van de productie naar andere landen zelfs tot milieuverslechtering leiden.


Klimaatneutraal

De ambitie is dat we gezamenlijk deze omslag naar 100 procent circulair in 2050 hebben gerealiseerd en dat we een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving hebben. Op een wijze waarbij de bewoners en gebruikers volledig zijn meegenomen in de aanpak en profiteren van de economische voordelen hiervan. We maken een robuust, betrouwbaar en veilig hoofdnetwerk van buisleidingen mogelijk om de transitie naar een circulaire economie en CO2-arme energievoorziening te realiseren. Daarbij passen nieuwe, duurzame infrastructuren, productie-eenheden en opslaglocaties, zoals laadstations en –pleinen, stations en opwekkingseenheden voor waterstof (bijvoorbeeld bij aanlandpunten van elektriciteit van zee), netwerken voor restwarmte en ondergrondse CO2-opslag. Ook toepassing van duurzame warmte via geothermie of aquathermie is in 2050 mainstream geworden. Er zijn meer windenergieparken op zee en land, veel meer zonnedaken, nieuwe hoogspanningsleidingen en plaatsen voor opslag (zo mogelijk ondergronds). Lokale energievoorzieningen zijn gerealiseerd met betrokkenheid van bewoners in de directe omgeving. Huizen en gebouwen zijn energieneutraal of zelfs energieopwekkend. In 2050 zijn we erin geslaagd al deze ontwikkelingen zorgvuldig in te passen of nieuwe landschappen te creëren, met zo min mogelijk hinder of overlast voor mensen en het ecosysteem. Bijvoorbeeld doordat bedrijvigheid en het opwekken van duurzame energie dicht bij elkaar zijn gepland.

Circulaire economie

De circulaire economie zal merkbare invloed op onze omgeving hebben. Uitgangspunt is dat gebruikte grondstoffen en materialen in gebouwen, wegen, en objecten zoals viaducten en bruggen hun waarde behouden, zodat na de gebruiksfase geen afvalstromen overblijven. Dit vraagt een andere manier van ontwerpen: veilige materialen, producten en processen die in de gehele levenscyclus geen schadelijke emissies of andere risico’s meer veroorzaken en dus verwaarloosbare gezondheidsrisico’s met zich meebrengen (safe-by-design). Het vraagt ook nieuwe logistieke concepten, waarvoor Nederland als distributieland voor Noordwest-Europa, een uitstekende basis biedt. Het is een noodzakelijke voorwaarde voor het realiseren van een circulaire economie en een veilige leefomgeving. Een circulaire economie is niet mogelijk zonder een ecologisch stabiel systeem met voldoende biodiversiteit. De natuur voorziet ons van grondstoffen en materialen en biedt andere ecosysteemdiensten als luchtzuivering en waterberging.

Spanning tussen transitie naar een circulaire economie en borgen van de omgevingskwaliteit

Een circulaire economie betekent forse veranderingen in producten, productieprocessen en –ketens en in de omgang met afval en voorraden. De consequenties van deze transitie op transportstromen, ruimtegebruik, milieu en veiligheid zijn nog onzeker. Een lager energiegebruik, minder CO2-uitstoot en minder gebruik van fossiele grondstoffen lijkt gunstig, maar verkeerd hergebruik kan allerlei risico’s voor veiligheid en gezondheid opleveren. Tegelijk heeft het behandelen als afval en als gevolg daarvan storten of verbranden, ook negatieve effecten op de leefomgeving.


Functies combineren

De nieuwe, duurzame economie zal de komende decennia nog naast de huidige lineaire, fossiele economie bestaan. Dit maakt de ruimteclaim in die overgangsperiode potentieel groter. De kunst is om verschillende functies hierbij te combineren, zonder de risico’s en milieunadelen te vergroten. Dit kan bijvoorbeeld doordat de vijf bestaande clusters met energie-intensieve industrie (Rotterdamse haven/Rijnmond, Amsterdamse haven/IJmond/Noordzeekanaalgebied, Eemshaven/Delfzijl, Vlissingen/Terneuzen, en Chemelot/Zuid-Limburg) er een rol bij krijgen. Zij hebben een belangrijke positie in het produceren van de duurzame bronnen, die ook de gebouwde omgeving van energie voorzien. Woon- en werkgebieden zijn hier op het vlak van energie meer met elkaar verweven.

Maatschappelijke winst

Het resultaat is een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie, nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden en met gezondheidswinst voor inwoners van Nederland en daarbuiten. Met aantrekkelijke steden en uitstekende woon- en werklocaties. In combinatie met een uitstekende bereikbaarheid door de lucht, over water en land, trekt ons land daarmee internationale bedrijven en instellingen aan en creëren we een voedingsbodem voor innovatie, startups en nieuwe ontwikkelingen. We hebben in 2050 nog steeds voldoende ontwikkelingsruimte voor onze belangrijke havens en luchthavens (waaronder de mainports), de kennisintensieve maakindustrie (Brainport), kennisclusters, internet-exchanges (digiports) en toplocaties voor de tuinbouw (greenports), al zullen deze tegen die tijd van gedaante zijn veranderd.

Kwaliteit van leven stedelijke en landelijke regio's

Iedereen wil prettig wonen, in de stad of een kleinere gemeente, op bereikbare afstand van werk en voorzieningen in een gezonde en veilige omgeving. Het streven is een kwalitatief goede woningvoorraad, die regionaal aansluit op de woonbehoefte van alle groepen. Met groen in de directe nabijheid. Kwaliteit van leven bestaat voor een wezenlijk deel uit een aantrekkelijke en herkenbare woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. We willen onze steden en dorpen naar 2050 ontwikkelen met kwaliteit. Geen ongebreidelde, maar gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is. Met wensen van bewoners en gebruikers als centraal uitgangspunt.

Diversiteit in wonen

Onze steden en dorpen van de toekomst zijn gevarieerd, toegankelijk voor iedereen, aangepast aan de veranderende samenstelling van de bevolking. Woningen zijn van het gas af en verduurzaamd. Dorpen en steden zijn gezond en veilig: de luchtkwaliteit is sterk verbeterd ten opzichte van nu, de geluidhinder afgenomen, de omgevings-, verkeers-, fysieke en sociale veiligheid zijn vergroot. Het zijn inclusieve, sociale gemeenschappen: iedereen heeft de kans om deel te nemen aan het maatschappelijke leven, er zijn genoeg mogelijkheden voor sociale interactie, geschikt voor jong en oud, omdat we levensloopbestendig bouwen. Bij het vormgeven van de leefomgeving zorgen we voor inspraak, dialoog en betrokkenheid en houden we rekening met uiteenlopende belangen en leefstijlen.

Het uiterlijk van onze steden en dorpen is in 2050 veranderd. Wonen, werken, natuur, openbare ruimte en voorzieningen zijn veel meer met elkaar verweven. Er is meer dichtheid, minder leegstand en verval, meer groen en water. Op sommige plekken hebben we meer de hoogte in gebouwd, maar altijd met kwaliteit. Hierbij maken we steeds gebruik van het historische karakter en de kracht van ontwerp. We zorgen ervoor dat specifieke waardevolle karakteristieken van onze steden en dorpen tenminste behouden zijn gebleven of zich verder hebben ontwikkeld.

In de stad of in het groen bouwen

Het is op korte termijn vaak sneller en goedkoper om in het buitengebied woningen of bedrijfsbebouwing te ontwikkelen. Echter op enig moment zijn investeringen in infrastructuur nodig, waardoor de kosten voor verstedelijken binnen of buiten bestaand stedelijk gebied weer anders worden. Daarbij, verstedelijkingsambities in het buitengebied raken ambities met betrekking tot bijvoorbeeld landschap en natuur, terwijl verdichten van bestaand stedelijk gebied kan raken aan ambities met betrekking tot gezondheid en hinder.


Stedelijk Netwerk Nederland

In 2050 wonen meer mensen dan nu in de steden en stedelijke regio’s, die steeds belangrijker zijn geworden voor onze economie. Ook in meer landelijke regio’s woont en werkt nog steeds een substantieel deel van de bevolking. De kracht van Nederland ligt in zijn polycentrische netwerkstructuur van stedelijke en landelijke regio’s van verschillende schaal en dynamiek die door de kwaliteit van het transport- en mobiliteitsnetwerk complementair als één systeem functioneren. Het kloppend hart van land en economie is het Stedelijk Netwerk Nederland. Kern daarvan is het brede midden van Nederland, grofweg Randstad (Amsterdam, Utrecht, Rotterdam-Den Haag), Amersfoort, Zwolle, Arnhem-Nijmegen, Brabantse stedenrij). Daar woont en werkt het merendeel van de bevolking. Maar ook uitlopers buiten het brede midden (Groningen, Twente, Maastricht, Leeuwarden en Middelburg) behoren tot het Stedelijk Netwerk Nederland. Vergeleken met veel buitenlandse metropolen zijn onze grootste steden relatief klein. Daarom zijn de verbindingen, wegen en spoorwegen, tussen en binnen deze regio’s voor ons land zo belangrijk. Die maken dat Stedelijk Netwerk Nederland richting 2050 steeds meer als één geheel kan functioneren.

‘Rijksinzet richten of verdelen over heel Nederland’

Economie en bevolking concentreren zich in het brede midden van Nederland. Versterking van economie en leefomgeving levert daar de hoogste opbrengsten op. De economische winst vloeit echter naar de eigen regio én het buitenland. Tegelijkertijd concentreren zich daar ook de meest complexe opgaven. Dit tezamen maakt dat een concentratie van de Rijksinzet op die regio’s voor de hand ligt. Tegelijkertijd liggen er net zo goed unieke kansen en opgaven in de rest van Nederland, terwijl deze regio’s met een relatief kleinere, maar nog steeds substantiële economie slechts beperkt profiteren van de groei in de grotere (stedelijke) regio’s[1] . En, de Rijksoverheid is er voor heel Nederland, niet slechts voor een deel. Bovendien is kwaliteit van leven meer dan alleen economische groei.


Prettige woonmilieus

De verdere verstedelijking is gepaard gegaan met de verduurzaming van Nederland en een goede kwaliteit van leven. Ook in de toekomst koesteren we de kleinschaligheid en diversiteit die onze steden en dorpen kenmerken. Stedelijke groei is voor een belangrijk deel binnen de bestaande bebouwde gebieden gefaciliteerd, maar ook op zorgvuldig gekozen en ingerichte locaties daarbuiten. Er is gebouwd daar waar de vraag is en naar de behoefte van verschillende doelgroepen, waaronder starters. Er zijn veel woningen voor de groeiende groep ouderen gerealiseerd en ook de inrichting van steden en dorpen en de organisatie van openbaar vervoer, zorg en detailhandel is daarop aangepast. We bieden iedereen de mogelijkheid om naar wens en betaalbaar te wonen, waarbij we de kwaliteit, leefbaarheid en identiteit van onze steden verder versterken. Met nieuwe stedenbouwkundige concepten hebben we veelvormige woonmilieus en nieuwe vormen van mobiliteit gecreëerd die voor alle leeftijdsgroepen prettig zijn om in te leven. Nieuwe ontwikkelingen hebben op goed bereikbare locaties plaatsgevonden.

Rust en ruimte

In sommige delen van het land wonen in 2050 minder mensen dan anno 2020. Het potentieel van deze regio’s hebben we blijvend benut. Nieuwe (economische) initiatieven, rust en ruimte, hebben de regio’s nieuwe impulsen gegeven, waardoor zij leefbaar en vitaal zijn gebleven.

Nabijheid en betrouwbare verbindingen

Divers patroon mobiliteit 

De manier waarop we ons verplaatsen is in 2050 veranderd. Door andere patronen in het werken en de invulling van onze vrije tijd heeft het dagelijks leven een minder vast patroon. Dit leidt tot een meer divers patroon in hoe en wanneer we ons verplaatsen (meer ‘kris-kras’ verplaatsingen en op andere tijden).

Uitstekende bereikbaarheid

Een uitstekende bereikbaarheid is cruciaal. Daarom hebben we in 2050 een goede en betrouwbare infrastructuur als onderdeel van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Dit geldt voor verbindingen binnen en tussen steden en economische kerngebieden door het land, maar ook over de grens. Hoe gaan mensen in 2050 om met alle nieuwe vormen die er straks zijn om ons te verplaatsen? Wat is het aandeel thuis werken in de nieuwe (kennis)economie? Het is eigenlijk onmogelijk om dergelijke vragen nu al te beantwoorden. Wel kunnen we technische mogelijkheden met onze ambities verbinden.

We hebben een hoogwaardig en samenhangend stedelijk, regionaal en hoofdnetwerk voor (zelfrijdende) auto’s en treinen, een goed ontwikkeld netwerk voor lopen en fietsen, een soepel functionerend vaarwegennetwerk en uitstekende luchtvaartverbindingen, zowel voor goederen als personen. Het nationale OV-netwerk biedt Stedelijk Netwerk Nederland snelle en comfortabele verbindingen. In het brede midden van Nederland (gebied Randstad, Amersfoort, Zwolle, Arnhem-Nijmegen, Brabantse stedenrij) is het aanbod intensief. De stedelijke regio’s daar zijn direct aangesloten op het internationale HSL-netwerk, terwijl grensregio’s door middel van IC-verbindingen gekoppeld zijn aan HSL-stations over de grens. Gezien de verwachte (prijs)ontwikkelingen is het waarschijnlijk dat het overgrote deel van de verplaatsingen in Nederland in 2050 per (zelfrijdende) auto gebeurt. Die moet onderdeel zijn van een geïntegreerd mobiliteitssysteem, waarbij bijvoorbeeld parkeerfaciliteiten en overstapvoorzieningen aan de rand van de regio of de stad (hub-functie) worden gebruikt: binnen de stedelijke regio’s is dan een grote rol weggelegd voor het OV, de fiets en lopen. Als zelfrijdende auto’s werkelijk gemeengoed worden, dan willen we onze (binnen)steden daarvoor lang niet altijd (volledig) openstellen.

Met digitale techniek van een hoog beveiligingsniveau verloopt de reis zo aangenaam en soepel mogelijk. Vraaggestuurd vervoer (als onderdeel van Mobility as a Service) is in 2050 gemeengoed. Zeker ook in de meer landelijke regio’s worden de mogelijkheden daarvan benut. (Zelfrijdende) treinen, waaronder lightrail, blijven van groot belang daar waar de reizigersstromen ‘dik’ zijn. Zowel tussen steden als binnen de stedelijke gebieden. Voor de middellange afstanden binnen Noordwest-Europa biedt de trein een duurzaam alternatief voor het vliegtuig. Het wagenpark is in 2050 schoon en duurzaam, bijvoorbeeld door elektrische of wellicht waterstofaandrijving. Dit draagt bij aan de reductie van CO2, NO2 en fijnstof.

Nabijheid of bereikbaarheid centraal bij verstedelijking?

Bereikbaarheid is van groot belang voor een leefbare en concurrerende stad of regio. Of het nu gaat om het buitenland of de buurgemeente, ondernemers en bewoners hechten om verschillende redenen aan de bereikbaarheid daarvan. Echter, het organiseren en inrichten van steden en regio’s op bereikbaarheid leidt tot veel lange afstandsmobiliteit en daaraan verbonden negatieve effecten als fijnstof, geluidhinder, CO2-emissies en/of aantasting van natuur en landschap. Het organiseren en inrichten van steden en regio’s op nabijheid leidt tot kortere verplaatsingsafstanden, meer lopen, fietsen en OV-gebruik.


Nabijheid

Keuzes in de realisatie van infrastructuur en verbetering van de (stedelijke) mobiliteit zijn gekoppeld aan de locatiekeuzes voor wonen en werken. Nabijheid is daarbij het uitgangspunt. In onze steden bewegen we ons in 2050 nog gemakkelijker en efficiënter met de fiets, te voet en met het (voor iedereen toegankelijke) openbaar vervoer. De (zelfrijdende) auto heeft binnen de hoogstedelijke omgeving een ondergeschikte rol, zodat deze daar niet te veel ruimte inneemt. Bij de ontwikkeling van nieuwe woon- en werkgebieden is vanaf het begin rekening gehouden met de vervoersvraag en nieuwe concepten als autodelen en inzet van vraagafhankelijke, zelfrijdende voertuigen (pods).

Luchtvaart

De groei van de wereldbevolking, welvaart en mondiale relaties zorgen ervoor dat het vliegverkeer een belangrijke rol blijft vervullen voor met name het afleggen van lange afstanden. Hierbij is een sterk internationaal netwerk, dat Nederland in verbinding houdt met de wereld, van groot belang. Uitdaging is dat op een zo veilig, efficiënt en duurzaam mogelijke manier vorm te geven en daarvoor initiatieven te ondersteunen. De CO2-uitstoot van het vliegverkeer is in 2050 duidelijk verlaagd. Te denken valt aan efficiëntere luchtverkeersroutes, zuinigere vliegtuigen, duurzame brandstoffen en (deels) elektrisch vliegen. Op de middellange afstanden binnen Noordwest-Europa is veel vliegverkeer vervangen door de trein, waardoor groei van het vliegverkeer is beperkt. De verbeterde aansluiting van Stedelijk Netwerk Nederland op het Europese HSL-netwerk maakt dit mogelijk.

Verduurzamen of gebruik reguleren

Mobiliteit en luchtvaart zijn van levensbelang om Nederland draaiende te houden, zowel economisch als maatschappelijk. Verduurzaming van mobiliteit kan zich richten op het gebruik van duurzame energie, schone motoren, intelligent en collectief vervoer, (elektrisch) fietsen en lopen. Sommige vormen van mobiliteit, zoals luchtvaart, kennen problemen bij de verduurzaming. Schone vliegtuigmotoren zijn pas voor de verre toekomst voorzien en alternatieven, zoals spoorvervoer op middellange afstanden binnen Europa, zijn beperkt aanwezig of niet concurrerend. Reguleren van het gebruik, bijvoorbeeld door de inzet van prijsinstrumenten of strenge normeringen, kan dan een optie zijn, hoewel dit internationaal complex is en maatschappelijke en economische nadelen heeft.


Goederenvervoer

Uitdagingen liggen er niet alleen bij personenvervoer, maar ook bij goederentransport. Daarvoor gebruiken we een veilig transportsysteem dat toekomst- en klimaatbestendig is. Nederland heeft zijn ijzersterke positie behouden als belangrijkste logistieke toegangspoort tot Europa en exporteur van goederen. Onze infrastructuur voor weg-, water- en luchtverkeer, evenals voor productie, transport en handel van goederen, is van hoog niveau. Ook voor de transitie naar een circulaire economie is dit van groot belang. Producten die aan het eind zijn van hun gebruiksduur, worden op grote schaal ingezameld, verwerkt tot nieuwe grondstoffen en opnieuw gedistribueerd. De circulaire economie werkt met nieuwe logistieke concepten, wat een geheel nieuwe invulling geeft aan de slogan ‘Nederland distributieland’. Aan de randen van de steden verwerken collectie- en distributiecentra nieuwe en gebruikte goederen en stoffen, wat het vrachtverkeer in de (binnen)steden vermindert. Zowel de traditionele detailhandel als internetshops maken hier gebruik van. Grootschalige distributie- en collectiecentra zijn geclusterd bij onze havens en op strategische locaties aan de grote vervoerscorridors naar het buitenland. Verduurzaming brengt met zich mee dat gasolie (diesel), als belangrijkste brandstof voor alle soorten goederentransport en binnenvaart, heeft plaatsgemaakt voor schone brandstoffen en aandrijftechnieken, zoals waterstof en batterijen.

Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk

Een veilig en gezond leven voor iedereen staat in 2050 voorop. Onze leefomgeving nodigt uit tot een gezonde leefstijl. Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen.

Kwaliteit water, lucht, bodem en ondergrond

De inspanningen om de kwaliteit van water, bodem en lucht te verbeteren, hebben in 2050 resultaat gehad. Het verlies aan gezonde levensjaren vanwege luchtkwaliteit is sterk teruggebracht, waarbij het ultieme doel is dat er geen gezondheidsschade meer optreedt (gezondheidsbescherming). Dit geldt ook in binnensteden, langs wegen en rondom intensieve veehouderijen. De leefomgeving is zoveel als mogelijk vrij van vervuiling door het wegverkeer. Auto’s, vrachtwagens en bussen, vaartuigen, rijwielen en mobiele werktuigen stoten geen CO2 en geen andere luchtvervuiling meer uit. Zeker op plekken waar wonen, werken en productie samengaan, heeft dat extra aandacht. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is rekening gehouden met het voorkómen van risico’s op infectieziekten. Ook geluidhinder is fors afgenomen. Verstoringen die gezondheidsschade tot gevolg zouden hebben, zijn door extra maatregelen verminderd, ook waar bebouwingsdichtheden zijn toegenomen. Hetzelfde geldt voor stankhinder. Schade aan infrastructuur, openbare ruimten en gebouwen door bodemdaling is door verhoging van het waterpeil en verbeterde bouwtechnieken beperkt.

Peilverhoging of op peil houden van de landbouwproductie

Het waterpeil in veenweidegebieden wordt anno 2020 laag gehouden voor een optimale landbouwproductie. Daarbij is het veenweidelandschap met grazend vee een internationaal uniek landschapstype. Keerzijde is aanhoudende bodemdaling met economische schade, schade aan landschap en cultureel erfgoed en steeds hogere kosten voor waterveiligheid. Verhoging van het waterpeil zou die schade beperken, maar vraagt aanpassing van het landgebruik aan het water-bodemsysteem.


Duurzaam gebruik van water, bodem en ondergrond is gewaarborgd door rekening te houden met het functioneren van bodem en ondergrond als natuurlijk systeem. Functies zijn en worden toegekend aan locaties die daarvoor van nature het meest geschikt zijn en passen (of zijn aangepast aan) bij de eigenschappen en karakteristieken van het bodem-watersysteem. Benutten en beschermen zijn daardoor met elkaar in evenwicht. Kringlopen van (voedings)stoffen, water en energie zijn in stand gehouden of hersteld en verontreinigingen zijn zo veel mogelijk voorkomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden vanaf het begin van de planvorming de bovengrond en de ondergrond in samenhang bezien. Driedimensionale ruimtelijke ordening staat centraal.

Gezondheidsbevorderende leefomgeving

In 2050 is de leefomgeving zodanig ingericht dat de gezondheid van mensen bevorderd wordt (waar dat door ingrepen in de leefomgeving mogelijk is). De leefomgeving verleidt mensen tot bewegen (sporten, fietsen en wandelen), spelen, ontspannen en het ontmoeten van anderen. Bijvoorbeeld door meer (stedelijk) groen, waterspeelplaatsen, fiets- en wandelpaden, zitbankjes, groene schoolpleinen en rookvrije gebieden. Door een integrale benadering in de stedelijke ontwikkeling is gezondheidswinst behaald in wijken waar relatief veel kwetsbare groepen wonen.

Omgevingsveiligheid

De omgevingsveiligheid is in 2050 toegenomen, dankzij sanering van bijvoorbeeld risicovolle situaties en de inzet op preventie en risicobeheersing bij bijvoorbeeld het gebruik van gevaarlijke stoffen. Met behulp van wet- en regelgeving is in vrijwel heel Nederland het basisbeschermingsniveau sterk verbeterd, zodat we veilig, schoon en gezond kunnen leven. Industriële activiteiten zijn niet gemengd met publieksfuncties of woonbebouwing en ook transportroutes van gevaarlijke chemische stoffen lopen daar niet meer doorheen. Dergelijke industriële activiteiten zijn vooral langs transportroutes en in de havens en industriegebieden geconcentreerd. Dat betekent dat we daarvoor milieuruimte hebben ingericht en terughoudend zijn met het toelaten van andere functies in die gebieden, wat ook zorgt voor meer veiligheid.

Ruimte voor defensie

Een veilig Nederland kent in 2050 tevens een robuust defensiebeleid. Er is ruimte voor huisvesting van eenheden, oefenterreinen, vliegvelden, schietbanen en toegang tot zee. Een spreiding van defensielocaties over het land blijft van belang. Tegelijk zijn bepaalde militaire activiteiten geclusterd en gecombineerd op grotere locaties. Operationele eenheden zijn zoveel mogelijk gehuisvest op plaatsen binnen redelijke afstand van de oefenmogelijkheden.

Land- en tuinbouw en natuur

In 2050 is het grootste deel van ons grondoppervlak nog steeds bestemd voor land- en tuinbouw en natuur. Wel ziet ons landbouw- en voedselsysteem er in de toekomst anders uit.

De Nederlandse landbouwsector behoudt zijn positie als koploper, maar dan met duurzame kringlooplandbouw. In de nabijheid van kwetsbare natuur, maar ook elders, is natuurinclusieve kringlooplandbouw de praktijk. Natuurgebieden worden omgeven door extensief begraasde graslanden en andere vormen van natuurinclusieve landbouw. Activiteiten als recreatie, zorg en landschapsbeheer bieden alternatieve inkomensbronnen. Landbouw, landschap en biodiversiteit versterken elkaar.

Sommige teelten zullen niet meer in de open lucht maar overdekt plaatsvinden, deels ook in stedelijke omgeving (vertical farming). In de niet-grondgebonden veehouderij zijn integrale duurzame stallen de standaard: stallen die gezond zijn voor de dieren en voor de leefomgeving, waar zuinig en efficiënt wordt omgegaan met grondstoffen en nutriënten en een hoog niveau van dierenwelzijn is bereikt. Dergelijke intensieve landbouw is gelokaliseerd op goed aangesloten locaties, waar reststromen van de ene sector gebruikt worden als grondstof voor de andere (meststoffen) en ketenbedrijven bij elkaar geplaatst zijn om onnodige transportbewegingen te voorkomen.

Voedselproductie binnen Nederland of oplossingen voor maatschappelijke behoeften

De Nederlandse landbouw is hoogproductief en produceerde per eenheid product de afgelopen decennia steeds minder gezondheids- en milieubelasting. Tegelijkertijd is de invloed in Nederland vanwege de grote omvang van de totale productie anno 2020 te groot: de stikstofbelasting op water en natuur is groot, fijnstof leidt tot gezondheidsproblemen, er is sprake van bodemdaling, broeikasgasemissies en aantasting van het landschap. Inzet van het landbouwareaal voor waterzuivering, landschap, natuur, recreatie, productie van biogrondstoffen of vastleggen van koolstof in de bodem levert een bijdrage aan de oplossing van diverse maatschappelijke problemen, maar levert de boer tot nu financieel te weinig op.


Op goed geschikte gronden van het land is de productiefunctie van de kringlooplandbouw uitgangspunt, daaraan wordt ruimte gegeven. Waardoor er met weinig milieubelasting voedsel kan worden geproduceerd en er (veelal gecombineerd met voedselproductie) ruimte is voor natuur, wonen, landschap, bereikbaarheid en duurzame energie. Dit betekent bijvoorbeeld dat de melkveehouderij meer grondgebonden is geworden: veevoer wordt meer van het eigen land of uit de directe omgeving betrokken en de uitstoot van schadelijke stoffen en broeikasgassen en het verlies van nutriënten naar bodem, water en lucht zal tot nagenoeg nul zijn gereduceerd.

Nieuwe gewassen zijn bestand tegen verzilting van de bodem. Naast de agrarische functie levert het landelijk gebied tal van andere belangrijke diensten aan de samenleving, zoals waterberging, zuivering van lucht en water, de opslag van CO2 en grondstoffen voor duurzame productie. Ook de visserij wordt verder verduurzaamd. Natuur en economie zijn en blijven met elkaar in balans.

Natuurinclusieve ontwikkeling

Nederland kent in de toekomst meer ruimte voor natuur, door natuur- en landschapswaarden sterker te integreren met andere ontwikkelingen. Bij nieuwe bouw- en ontwikkelopgaven is natuurinclusieve ontwikkeling de norm, zowel in de stad als in het landelijk gebied. Dit wordt in de ontwerpopgave standaard meegenomen. In het stedelijk gebied is er in 2050 voldoende ruimte voor natuur en groen, om bijvoorbeeld insecten genoeg overlevingskansen te geven. Bodemdaling van slappe bodems is uiterlijk in 2050 aanzienlijk verminderd. Daarnaast is het natuurareaal vergroot en zijn de kerngebieden robuust met elkaar verbonden, soms via natuurinclusieve landbouwgebieden, soms via robuuste natuurverbindingen. Vernatting en extensivering van sommige veenweidepolders heeft geleid tot herstel van typische moerasflora (zoals kleine zonnedauw) en -fauna (zoals de roerdomp). Rond de natuurgebieden zijn bufferzones gerealiseerd en de water- en milieucondities zijn verbeterd. Ook de aanleg van nieuwe bossen, ook bedoeld om koolstof vast te leggen, draagt bij aan herstel van de biodiversiteit en de landschappelijke kwaliteit. Nederland heeft op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR[2]) werk gemaakt van de verantwoordelijkheid om het bestaan van soorten en ecosystemen duurzaam te waarborgen. Dit geldt niet alleen op het land, maar ook voor de zee streven we naar een goede milieutoestand met een duurzaam en verantwoord gebruik.

Landschap, cultureel erfgoed en identiteit

Onze landschappen, ons cultureel erfgoed, onze nationale parken en ook de karakteristieke verschijningsvorm van onze dorpen en steden bepalen in 2050 net als nu de Nederlandse identiteit. Het zijn belangrijke culturele en cultuurhistorische kwaliteiten, die we voor de toekomst hebben behouden. We streven naar een herkenbare leefomgeving met karakter. Dat betekent dat we zuinig omgaan met ons landschap en ons cultureel erfgoed. We hebben opgetreden waar ‘verrommeling’ en ‘verloodsing’ dreigden. We hebben een nieuwe toekomst gevonden voor monumentale gebouwen, zoals in onbruik geraakte kerken, maar ook moderner erfgoed, zoals in onbruik geraakte fabrieken. In de overgangszones tussen stad en land zijn landschap en natuur beter toegankelijk gemaakt voor recreanten en hebben ondernemers nieuwe inkomensbronnen gevonden in recreatie, natuur- en landschapsbeheer en energievoorziening.

Duurzame energie uit eigen land of vrijwaren landschappen

Aantrekkelijk en cultuurhistorisch waardevol landschap levert identiteit en inspiratie en daarmee zowel immateriële waarde als economische waarde voor het vestigingsklimaat en recreatieve omgeving. Een klimaatneutrale samenleving vraagt echter zoveel ruimte voor windmolens of zonnepanelen dat met name grootschalige landschappen en grote wateren op grote schaal beïnvloed (zullen) worden. Het is onvermijdelijk dat voor sommige landschappen de bestaande kwaliteiten en waarden onder druk komen te staan en/of veranderen. Soms betekent het dat we bepaalde landschappen om die reden willen ontzien. Maar dat betekent tegelijkertijd dat we kiezen voor een grotere opgave en een grotere verandering van landschap elders.


Op een aantal plekken zijn de veranderingen zo groot dat zij – conform de Nederlandse traditie – de opmaat waren om, met kwaliteit, nieuw landschap en erfgoed te ontwerpen en te ontwikkelen.

De unieke cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van onze Nederlandse landschappen zijn hierbij zo veel mogelijk behouden en versterkt. Waar mogelijk zijn nieuwe kwaliteiten toegevoegd, zoals rust en ontspanning, weidsheid of natuurlijkheid. De transitie naar natuurinclusieve landbouw in de buurt van natuurgebieden draagt daaraan bij. Landschapselementen als houtsingels en geriefbosjes zijn hersteld of versterkt. De veenweidegebieden zijn verrijkt met moerasnatuur, natuurinclusieve landbouw én nieuwe teelten, die passen bij het natte, open en groene karakter. Elders is de strakke, kenmerkende verkaveling van een aantal grootschalige ontginnings- en inpolderingslandschappen gecombineerd met even strakke opstellingen van windmolens. Ook in kleinschaliger landschappen als de Achterhoek of op de Veluwe is het als bewoner en recreant nog steeds goed toeven. Waar mogelijk zijn functies gecombineerd die bijdragen aan behoud van natuur- en landschapswaarden.

Het vizier op 2050

Kortom, we omarmen het nieuwe en koesteren het bestaande. Zo’n Nederland ontstaat niet vanzelf. Om zo ver te komen zullen we moeten kiezen. Niet elke keuze zal even makkelijk voor iedereen te aanvaarden zijn, we zullen niet alles kunnen behouden, net zo goed als we niet al het nieuwe kunnen opnemen. Door gemaakte keuzes daadwerkelijk door te voeren, bouwen we samen aan een mooi, gezond en veilig Nederland waarin we ook in 2050 graag willen leven.

Toelichting discussiekaart: een toekomstperspectief voor Nederland
De discussiekaart verbeeldt op hoofdlijnen hoe Nederland er in de toekomst uit zou kunnen zien. Nederland, zoals het er uit zou kunnen zien als we de wensen en ambities uit het toekomstperspectief verbeelden. De kaart is nadrukkelijk niet als nationaal streef- of eindbeeld bedoeld. Voor we de wensen en ambities uit de NOVI gerealiseerd zullen hebben, zullen we nog veel gesprekken met elkaar moeten voeren, nog veel barrières moeten overwinnen, nog veel besluiten moeten nemen en nog veel programma’s en projecten moeten realiseren. De toekomst moet daarvoor open blijven.

We willen de discussiekaart en het proces van het werken aan een dergelijke kaart gaan gebruiken als voertuig voor het gesprek over uitvoering en aanpassing van de NOVI: ook het toekomstperspectief is onderdeel van het adaptieve proces van de NOVI. In programma’s als landelijk gebied en verstedelijking, biedt de discussiekaart een hulpmiddel om met elkaar het gesprek aan te gaan over gewenste inrichting en ontwikkeling van stad en land.

Het resultaat van dat gesprek kunnen we opnieuw in de kaart verwerken zodat er steeds een realistischer en gezamenlijker beeld van de toekomst van Nederland ontstaat. Daarbij zullen in de toekomst ongetwijfeld nieuwe ambities en mogelijkheden naar voren komen. Ook dat past in het cyclische proces zoals we dat met de NOVI voor ogen hebben.

Voor de legenda-eenheden op de discussiekaart zijn de teksten in dit hoofdstuk de basis geweest. Waar de onzekerheid te groot is om een ontwikkeling te lokaliseren, is gebruik gemaakt van iconen om een gewenste ontwikkeling te duiden. Om de legenda-eenheden te kunnen verbeelden is enige vrijheid genomen in de interpretatie en uitwerking van de ambities en in een aantal geschetste dilemma’s, passend bij de principes van de NOVI.[3]  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, Opgaven in de fysieke leefomgeving: huidige situatie en ontwikkelingen. Den Haag 2019.
[2] Richtlijn inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992) en Richtlijn inzake het behoud van de vogelstand (2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009).
[3] Voor meer informatie en toelichting op de totstandkoming van de kaarten, zie Fabrications, Discussiekaart, een toekomstperspectief voor Nederland. Te verschijnen www.denationaleomgevingsvisie.nl  

Cookie settings